eeuwenkuil
De Leeuwenkuil is een variant die ontstaat na 4.f2-f4. Wit ontwikkelt een breed centrum door drie pionnen in het centrum te zetten (d4,e4 en f4). Het gebeurt vaak dat de witspeler denkt dat hij tegen een Pircvariant speelt. De eerste twee zetten lijken daar natuurlijk veel op. Het kan ook zijn dat de witspeler al eerder tegen De Leeuw heeft gespeeld en denkt met deze zetten de opening te kunnen weerleggen. Maar ook na de sterke opmars van de centrumpionnen houdt De Leeuw stand en komt, na dameruil, beter uit het strijdgewoel dan wit. Deze variant is een goede illustratie van de flexibiliteit van De Leeuw.
1.  e2-e4   d7-d6  
2.  d2-d4  Pg8-f6    
3.  Pb1-c3 Pb8-d7    
4.  f2-f4    e7-e5 De zwartspeler trekt zich niets van het pionnenoverwicht aan en speelt krachtig door.
5. d4xe5  d6xe5 Als wit niet slaat, moet zwart exd4 spelen.  
6. f4xe5  Pd7xe5  De pion wordt (gedwongen) met het paard teruggenomen.
7. Dd1xd8+  Ke8xd8 Wit denkt voordeel te krijgen omdat zwart nu niet meer mag rokeren.  
8. Lc1-f4  Lf8-d6 Wit bereidt de lange rokade voor en valt het paard aan. Ld6 is beter dan Pfd7 omdat wit nu geen Pf3 meer kan spelen (Pxf3+ en stukwinst). Als wit echter 8.Pf3 speelt mag het paard niet genomen worden omdat dan e4 extra dekking krijgt.
9. 0-0-0  Kd8-e7 Zwart kan ook Ld7 of Pfd7 spelen maar de tekstzet is beter doordat zwart nu in ieder geval Pd3+ dreigt en wit verliest zijn loperpaar.
10. Kc1-b1  Lc8-g4    
11. Lf1-e2  Lg4xe2 Zwart houdt het veld e5 onder controle en kan nu druk gaan uitoefenen op wits zorgenkindje e4. Deze isolani blijft voor problemen zorgen. Daarbij staat zwart met zijn koning actiever voor het eindspel.
Hier volgt nog een illustratieve partij van mister Leeuw himself; Leo Jansen.
P. van Gelderen-L. Jansen, 1979 ; 0-1